In de aanloop naar 75 jaar vrijheid in mei 2020 halen we verhalen op uit onze kernen. Verhalen over de oorlogstijd, over heldendaden of initiatieven die ons niet laten vergeten wat zich tijdens de Tweede Wereldoorlog afspeelde binnen onze gemeente. Dit keer belichten we herinneringen uit de oorlog van Tineke Legêne-Reijns. We kregen haar verhaal van de in Lochem geboren Clara Legêne.

Clara Legêne:

En toen verdwaalde ik de afgelopen dagen zomaar in de bevrijding van Lochem. Lochem is mijn geboorteplaats, mijn ouders kwamen er na hun huwelijk in 1943 wonen. Vader was toen 28 jaar, moeder 24. Vader werd organist van de Gudulakerk en moeder en hij gaven muzieklessen aan huis. Ze kregen er zeven kinderen, van wie ik nummer vier ben. Na het overlijden van moeder - in mei 2010, vader overleed in oktober 1996 - kwam een groot deel van het archief van onze ouders bij mij terecht. Bij het uitzoeken was ik wat oorlogsdocumenten tegengekomen, die ik onlangs op twitter zette. Waarna ineens de burgemeester van Lochem op de klep viel, zoals we dat in Brabant zeggen. Of hij de documenten op de speciale bevrijdingswebsite van Lochem mocht zetten. Vanzelfsprekend, burgemeester.

Ik weet zelf weinig van de bevrijding van Lochem. Alleen dat tante Janneke Mens (geen echte tante, maar levenslang bevriend met mijn ouders), die fotograaf was, een foto van de bevrijding had gemaakt. Van tanks die De Enk op komen rollen, waar ze toen met oom Jan woonde. En we hadden in 1965 van de Prins Hendrikschool een boekje gekregen over de oorlog, 'Volk in verdrukking en verzet'. Ik weet als ik eerlijk ben meer over de Hooiplukkers van Lochem uit 1590 dan van de bevrijding op 1 en 2 april 1945 door de Britten.

Maar mijn moeder heeft in 2009 voor ons haar herinneringen opgeschreven. En ook het een en ander over de oorlog. Hieronder voor wie geïnteresseerd is haar verhaal. Waar ze het over vader heeft, bedoelt ze dus haar man, Has.

Herinneringen opgeschreven door Tineke Legêne-Reijns:

In 1942 solliciteerde vader eerst naar een organistenbaan in Amersfoort. Daar was de organist overleden omdat hij van een dak was gevallen. Die baan kreeg hij niet en Adriaan Schuurman werd benoemd. Daardoor kwam Lochem vrij en solliciteerde hij daar en tegelijkertijd ook in Bolsward. Hij kon beide krijgen, maar mijn helderziende vader in Enschede zei dat Lochem beter was, dus werd het Lochem. Vader heeft daar eerst een tijdje bij Schimmelpenninck (kerkvoogd) gewoond en op een gegeven ogenblik kreeg hij een huis aan de Oosterbleek. Daar heeft hij nog drie maanden alleen in gewoond en toen zijn we getrouwd. Zo kwam er een huisvrouw wonen die alleen wist hoe je aardappels moest koken.

Ons meubilair bestond uit een uittrektafel, 6 oudhollandse stoelen uit gemeenschappelijk bezit, een ronde tafel met 2 rieten stoelen die we in Enschede kochten, 2 fauteuiltjes die we in Amsterdam hadden gekocht, een klein rond tafeltje dat vader eens voor m’n verjaardag had gemaakt (nog in Amsterdam) en een vleugel, twee bedden en een kast op de slaapkamer. De boeken kregen een plaats in de kasten die we meubelmaker Priester lieten maken en ik had van meneer Spakler een grote kast mee mogen nemen die ik in Amsterdam op mijn kamer had. We namen 12 leerlingen van Schuurman over en startten een lespraktijk. Vader hield lezingen over muziek, gaf concerten. Zijn Motetvereniging had hij opgeheven toen je lid van de Cultuurkamer moest worden. In de loop van de jaren ging hij zich bezig houden met orgelbouw, dat was vlak na de oorlog.

Over die oorlogstijd is natuurlijk ook het nodige te vertellen, maar we zijn er buitengewoon goed doorheen gekomen. In ’44 werd Petra geboren, vlak na de bevrijding in ’45 Eva. Ik hield in die tijd de lespraktijk aan en zorgde voor de kinderen. Ik had vanaf ons huwelijk altijd huishoudelijke hulp. Na mijn eindexamen conservatorium ben ik nog door gaan studeren voor mijn solistenexamen en dat hield ik vol tot ’43. Toen was de oorlog al zodanig dat je haast niet meer kon reizen. Ik heb nog een tijdlang op zaterdag in Nijverdal en Hellendoorn lesgegeven voor Alice Heksch, de vrouw van de violist Nap de Klijn. Zij waren ondergedoken. Op den duur had je vier uur nodig om van Lochem naar Nijverdal te komen, over Zwolle, en eindeloos wachten op aansluiting. Ik gaf o.a. les bij een hele deftige familie, Termöhlen, die op de berg een prachtige villa bewoonde. Daar kreeg ik op een keer gebakken aardappels! Echt in boter gebakken, een ongekende luxe in die tijd.

De hele oorlogstijd konden we niet zoveel. Huisconcerten en lezingen, lesgeven. ’s Avonds bij onze buren, Swaters, bivakkeren, want die hadden in het laatste jaar nog wel licht (carbidlampen) terwijl wij het met drijvertjes (laagje olie op water en daarin een pit) deden. Toen er geen gas en elektrisch meer was heb ik hele middagen zitten blazen in een soort noodkacheltje waar je eten op kon koken. Het was een ijzeren bus, de smid maakte die, en je zette ze op de opening bovenin de kachel. We hadden zo’n potkachel met als tekst “Je brule tout l’hiver”, een Salamander. Als je de bus op de bovenopening zette kon je de trek van de schoorsteen gebruiken om spaanders hout in de vlam te krijgen.

Vader werd nog wel te werk gesteld. Eerst op de Lochemse berg waar ze dennestammetjes voor loopgraven moesten zagen. En later in Warken bij Zutphen, waar ze dan in colonne op de fiets (met houten banden) naartoe moesten. Maar je verzon van alles om er onderuit te komen en op een gegeven ogenblik toen ik een blaasontsteking had, stuurden we een flesje urine naar de lazaretarts met de boodschap dat de heer Legêne een blaasontsteking had. Dan kreeg vader een briefje dat hij niet werken kon. In het begin had hij vrijstelling, omdat hij met de muzieklessen de kinderen van de straat hield. Ik vond op de achterkant van een programma nog een concept van een briefje aan de ouders waarin hij schrijft dat z’n kolenkist leeg is en hij de lessen even stop moet zetten en dat hij ze in een latere vakantie in zal halen. Dat zal wel in de tijd zijn geweest dat Petra met paarse handen van de kou in de box zat.

Bij de bevrijding zijn we nog met de fiets en Petra in een karretje erachter naar boer Kaemingk in Barchem gevlucht. Mijn broer Gijs was toen bij ons in huis, die stond op een avond ineens bij ons voor de deur, eigenlijk op weg naar Enschede (vanuit Den Haag). De kunst was om vanuit het westen de IJssel over te komen. De brug was hermetisch afgesloten (het IJsselen gordijn geheten) maar ik geloof dat Gijs het voor elkaar kreeg om met een militaire auto mee te rijden en zo de brug over te komen. Ik zal hem de precieze geschiedenis nog eens vragen. Bij boer Kaemingk sliepen we één nacht met een heleboel mensen op het hooi. Ik lag voor een paard dat in z’n hok achter me stond en de hele nacht op hooi stond te kauwen of liever: malen. De Duitsers zaten aan de overkant van het kanaal en schoten van daar op Lochem. De vader van het dienstmeisje van Swaters, Dina Boks, was zo dom om, nieuwsgierig, een kijkje te nemen bij het kanaal en kreeg helaas een kogel. Ook schoten ze de kleine zijtorentjes van de kerktoren af en wij hadden nog wel wat van onze schaarse bezittingen die van waarde waren, in het orgel verstopt!

Na de oorlog kwam de wederopbouw, een tijd van verwachting en dat het allemaal beter zou worden.

Deel dit artikel